Het greenscreen met Woeste Willem

Het greenscreen met Woeste Willem

Een greenscreen voor Woeste Willem

Hoe kun je een greenscreen en het prentenboek Woeste Willem combineren? En hoe zet je hierbij in op de taalontwikkeling? Ik vertel het in dit blog.
21 jaar geleden las ik dit boek voor het eerst voor,. Eerst aan mijn dochter, daarna aan mijn zoon. Beiden zijn nog steeds fan van dit boek en ik eigenlijk ook. 

In mijn jaren als juf heb ik dit boek ook vaak voorgelezen, projecten uitgewerkt, hoeken ingericht, enzovoorts.
Maar Woeste Willem in een greenscreenfilmpje, dat is voor mij ook weer een nieuwe toevoeging.

Woeste Willem in 20 talen

Op de website “Prentenboeken in alle talen” vind je dit mooie boek ook terug. Op deze site kun je dus terecht voor je meertalige leerlingen.

Hier vind je audio-vertalingen van mooie klassieke prentenboeken. Deze vertalingen zijn met veel liefde zijn gemaakt door vrijwilligers en worden door hen voor je voorgelezen. 

Woeste Willem voor een prikkie

Wist je trouwens dat dit prachtige boek in de week van 12 juni 2020 voor €2,50 te koop is in de plaatselijke boekhandel?

Taalontwikkeling en een greenscreen

Met een greenscreenfilmpje  kun je een verhaal na laten spelen en zelfs het verhaal uitbreiden en aanvullen.
Je oefent hiermee de vertelvaardigheden, het taalgebruik en de woordenschat van de kinderen.
Het mooie is dat je dit ook meteen op het juiste niveau doet. Ieder kind gaat uit van zijn eigen startniveau en dit materiaal nodigt vanzelf uit tot ontdekken van nieuwe taal.
Wanneer er niet voldoende taal komt uit jouw leerlingen, ga dan meespelen of koppel een sterker taalmaatje aan de leerling met minder taalvaardigheden.
Ook het luisteren naar de ander, het modelen door die ander van de nieuwe taal is inspirerend en leerzaam voor een kind met een TOS of een taalachterstand.

Uitdagen tot  gebruik van nieuwe taal doe je door materialen toe te voegen en goed te observeren of de leerling initiatief neemt tot  vertellen.
Heeft het kind voldoende spreektijd, krijgt het voldoende taalverwerkingstijd? Is het een kleine woordenschat of zijn het woordvindingsproblemen?

Tips voor de taalontwikkeling

Geef ankerpunten voor de leerling

  • Bepaal bijvoorbeeld vooraf wie welke rol speelt, zodat de zwakke leerling weet waar die zich op kan richten.
  • Koppel een taalmaatje aan een taalzwak kind, maar let op dat die hem niet overvleugelt.
  • Observeer hiervoor regelmatig en speel dan even mee om dit te reguleren.

Wat kun je nog meer doen?
 

Tijd geven voor de taalverwerking

  • Deel het verhaal op in losse scenes. Zo kun je het filmen van het verhaal na iedere scene pauzeren .
  • Je geeft dan even tijd voor de taalverwerking en dit geeft rust bij woordvindingsproblemen.
  • Spreek samen door wat de volgende scene zal zijn, als dat nodig is.
  • Teken de scenes eerst even uit, geef ze een storyboard. Deze zijn te vinden op mijn Pinterestpagina over verhaalopbouw.

Wanneer je als leerkracht meespeelt kun je dit nog beter sturen natuurlijk.
Maak er dan een kleine kringactiviteit van.

  • Verdeel je weekactiviteiten zodat je deze activiteit gedurende een week een aantal keer gaat inroosteren.
  • Vorm een kleine groepje, of een tweetal. 
    Je hoeft dan niet bij ieder tweetal evenveel hulp te bieden natuurlijk.
  • Rooster de leerlingen in , zodat iedereen die week ook echt aan de beurt kan komen bij het greenscreen.

Wat heb je nodig voor het werken met greenscreen?

  • Het boek van Woeste Willem
  • Foto’s van platen uit het boek voor de achtergrond in de app
  • Een iPad met de app Do Ink Greenscreen
  • Of bij de nieuwste iPad versie 13.0 of hoger kun je met de gratis app iMovie ook een greenscreenfilmpje opnemen
  • Een groene achtergrond om tegen te filmen, dit kan met een groot groen Engels karton bijvoorbeeld
  • Plaatjes van de hoofdpersonen die je plakt op een wcrolletje met groene bekleding
  • Iets om de iPad stevig in neer te zetten, dit kunnen ook twee blokken zijn uit de bouwhoek natuurlijk.

Wil je geen gedoe met groene papieren of een groot groen scherm, bekijk dan de Greenscreenbox  van Petra Mestrom.

 

Dit is de GreenScreenbox van Petra Mestrom.

Zij heeft deze box zo ontworpen dat kinderen er snel mee aan de slag kunnen. De iPad kun je er goed stevig in wegzetten. De attributen laat je met groen papier  bewegen zodat de achtergrond  niet wordt verstoord door de handen van de kinderen. Doordat de box op een tafeltje past, is hij bruikbaar voor jong en oud. En kun je op de iPad meteen het resultaat zien tijdens het filmen.

De Greenscreenbox in de praktijk

Zelf heb ik de Greenscreenbox ook uitgeprobeerd en ik ben erg enthousiast. Het is een geweldig product, stevig en zeer makkelijk bruikbaar in iedere klas.
Het mooie is dat de kinderen meteen hun resultaat zien, ze zien wat er aangepast moet worden voor het beste resultaat door mee te kijken op de iPad terwijl ze spelen. Hierdoor komt er tijdens de activiteit ook enorm veel communicatie op gang zoals samen overleggen, discussieren, beurtgedrag, probleemoplossend denken en handelen met daarbij natuurlijk heel veel taal.

 Nu korting op de Greenscreenbox

 

Je krijgt nu tijdelijk een mooie korting op de Greenscreenbox. 

Deze korting is geldig tot en met 30-6-2020.
Op de website van Petra Mestrom vind je meer informatie over deze actie.

Doekaart en wegwijzers
In samenwerking met Mediasmarties en uitgeverij Lemniscaat heeft petra Mestrom ook een superhandige  een doekaart gemaakt. Daarmee ga je aan de slag met de Greenscreenbox (of een groot green screen) en dit gave prentenboek. Je leert eenvoudige, maar super gave trucs om direct toe te passen in je eigen video’s!

Bekijk hier in het demonstratiefilmpje van Petra Mestrom hoe Woeste Willem en Frank tot leven komen.

Werken met een greenscreen in de klas

Lees in mijn artikel greenscreen in de klas alles over wat je nodig hebt en lees meteen ook de 10 tips voor het gebruik in de klas.

Ga jij er ook mee aan de slag?

Laat het hieronder in een reactie weten

Taalmuur in de klas? 10 tips op een rij

Taalmuur in de klas? 10 tips op een rij

Taalmuur in de klas? 10 tips op een rij

De taalmuur in de klas

heb jij hem al ?

     

    Taal en Woordenschat 

    Taal  is de basis voor je ontwikkeling, alles in het dagelijkse leven draait om taal, iedereen gebruikt taal. Een taalmuur in de klas levert een grote bijdrage aan de visuele ondersteuning van de taalles voor TOS leerlingen. Taal is het voertuig van het leren. Maar zonder een woordenschat op leeftijdsniveau is taal lastig, goede communicatie wordt vaak onbereikbaar, begrijpend luisteren en lezen gaat moeizaam en communicatieve redzaamheid geeft flinke problemen. Een taalmuur kan hier hulp bieden voor de leerling.

    Dagelijkse sociale interactie en taalonderwijs op school leveren een grote bijdrage aan de ontwikkeling van de woordenschat van een kind.
    Veel lezen draagt ook enorm bij aan het ontwikkelen van een grote leeswoordenschat. Op het einde van de basisschool is de gemiddelde omvang van de leeswoordenschat 15000 woorden volgens Aarnoutse en Verhoeven (2003)

    Waarom een taalmuur in je klas?

    Met een taalmuur geef je de leerlingen een visueel ankerpunt. Een centrale plek waar ze alles rondom de woordenschat, de taalregels en de gevoerde gesprekken of behandelde thema’s kunnen terugvinden.

    Dit geeft taalsteun voor de taalzwakke leerlingen of de leerlingen met een TOS.  Voor jezelf is het meteen een dagelijkse reminder om je consolideeroefeningen te plannen en een handige plek om naar terug te verwijzen bij uitleg of herhaalde instructie.

    Kies voor ruimte en zichtbaarheid

    Kies voor een zichtbare plek, niet achterin de klas maar voorin of aan een zijwand.
    Houdt meteen rekening met lichtinval, op een raam is niet echt een fijne plek dus.
    Kies ook voor ruimte en formaat. Een A4 is niet leesbaar achterin en bijvoorbeeld een rood papier met zwarte letters leest ook lastig op een afstandje.

     

    De taalmuur zorgt voor rust

    Door een centrale plek te creëren houd je ook de broodnodige rust in je lokaal. Niets is zo storend als een lokaal met overal en nergens allerlei reminders, posters, kalenders en meer van dat soort dingen. Bewaar daarom ook een aparte plek voor de taalmuur, baken hem af, dat geeft rust en structuur.
    Je kunt dit bijvoorbeeld doen met gekleurd isolatietape op de muur (makkelijk te verwijderen) of door een groot prikbord of whiteboard op te hangen.

    Voor de volledigheid pleit ik hier meteen ook voor een rekenmuur, er zijn veel begrippen, regels of afkortingen binnen het rekenonderwijs die met een visuele ondersteuning op de rekenmuur voor veel leerlingen een fijne reminder of een extra hulp kunnen bieden.

     

    Bouwen aan een semantisch netwerk

    Woordenschat is vaak een stukje taalonderwijs wat wel als aparte leerlijn wordt gezien , maar waar men soms niet zo goed raad mee weet. Natuurlijk staat er in de taalboeken woordenlijsten en worden er bij thematisch onderwijs trouw per thema woorden gekozen of gezocht, maar dan…hoe ga je daar mee verder?
    Een goede woordenschatopbouw is immers cruciaal voor de algehele taalontwikkeling en het leesproces. Lees hier verder over tips voor TOS in de klas

      Eén keer samen de betekenis opzoeken van een themawoordenlijst, daarna voor een dictee die woordenlijst uit het hoofd leren, dat is spellingonderwijs.
    Hierdoor leer je geen betekenis maar alleen het woordbeeld en de spelling, je leert echter onvoldoende woordbetekenissen en woordgebruik.

    Je kunt heel veel woorden kennen, dat betekent nog niet dat je ze ook kunt gebruiken.
    Binnen woordenschatontwikkeling is naast een goede uitbreiding en een goede verdieping, ook een goede opslag in het brein  erg  belangrijk om woorden weer gemakkelijk terug te vinden in je geheugen, zodat je ze daarna ook adequaat kunt gebruiken.  Woorden moeten verankerd worden in het geheugen en gekoppeld worden aan de eigen kennis van de wereld.

    Binnen het “netwerk” van het brein moet je op de juiste “schijf” het juiste “document” kunnen opslaan en terugvinden!

    Dit “document” in de hersenen moet dan daarnaast goed gevuld zijn met de juiste informatie.
    Woorden moeten dus verankerd en vindbaar zijn in het geheugen. Dit noemt men ook wel een goed “semantisch netwerk”. 
    Om dit te bewerkstelligen zul je  intentioneel woordenschat moeten aanbieden met vaste routines en dit vervolgens visualiseren op een taalmuur. 

    Tips om met grafische modellen aan de slag te gaan

     

    Wil je aan de slag met grafische modellen? Ga dan zeker kijken op de site van Rezulto en klik op het tabblad:  Met woorden in de weer: praktijkmateriaal.

    Hier vind je naast veel informatie over de viertakt van Verhallen en de kwaliteitskaarten voor alle onderdelen van de viertakt , ook een aantal handige downloads waarmee je zelf woordwebben, woordparachutes en woordkasten en woordtrappen op je digibord kunt  maken. Hieronder zie je voorbeelden van de diverse downloads die op de site staan.

    Wanneer moet ik dit doen?

    Vaak hoor ik van leerkrachten dat ze de modellen niet gebruiken, omdat het er gewoonweg niet van komt.
    Mijn tip: kopieer een aantal lege modellen op minimaal A3 formaat en leg die bij de taalmuur klaar.
    Je kunt dan op ieder geschikt moment, tijdens een uitleg, in een leesles of tijdens een instructie een grafisch model invullen, samen met de leerlingen. Op deze manier is het betekenisvol en werkt het als een visuele kapstok voor de auditieve informatie. Ondersteun dit met simpele tekeningen of  afbeeldingen van het internet die je er later bijplakt. Geef eventueel bij oudere leerlingen op een later tijdstip de mogelijkheid om er bijpassende afbeeldingen bij te zoeken op het internet.

    Praktijkmaterialen voor de taalmuur

    Wanneer je op de site van Rezulto bent, bij het tabblad praktijkmaterialen, vind je daar onder meer de volgende gratis downloads:

    • Les voorbereidingsschema’s voor de viertakt (een uitgebreide en een  verkorte versie)
    • Een formulier voor registratie  in de groep (welke woordclusters je hebt behandeld en wanneer)
    • Een woordwebben Powerpoint met uitleg over hoe je de diverse formats kunt gebruiken
    • 16 gratis formats van woordparachutes, woordkasten woordtrappen die je zelf op je digibord kunt vullen.

    Hoe download je deze  voorbeelden?

    1. Ga je op een afbeelding staan met je cursor
    2. Klik je met je linkermuisknop op de afbeelding
    3. Er volgt nu een menu om deze afbeelding te downloaden als powerpoint.
      4. Wanneer je daarna deze powerpoint (van steeds 1 pagina) opent en je klikt op de knop “bewerken inschakelen” , dan kun je hem aanpassen en vullen met jouw woorden en afbeeldingen. 

    TIP: Wanneer je binnen deze powerpoint kiest voor pagina dupliceren, kun je de originele, lege pagina bewaren en de andere steeds vullen.  Zo creëer je in diezelfde powerpoint een serie van dezelfde parachutes.

    Je kunt er ook voor kiezen om de parachute op te slaan (en eventueel af te drukken) als PDF. Je kunt er dan niets meer aan veranderen maar het lege origineel in de powerpoint wordt dan ook bewaard.

    10 tips voor een taalmuur

    1. De plaats in het lokaal

    Bedenk goed welk plekje je kiest in de klas. Het mag een grote plek zijn, maar het moet wel afgebakend zijn en overzichtelijk blijven. Een taalmuur die eindeloos is, kan erg rommelig worden. Trek bijvoorbeeld een omlijning met tape op je muur en werk altijd van links naar rechts.

    2. Vol = vol

    Ververs met regelmaat de inhoud van de taalmuur. Eindeloos dingen laten hangen heeft geen effect.  Wanneer je thematisch onderwijs geeft, houd dan deze periode aan en begin een nieuwe muur bij een nieuw thema.
    Heb je een aantal vaste regels of nieuwe woordsoorten, laat die bijvoorbeeld op een hoek van de muur hangen zolang het nodig is.

    3.  WOordbewustzijn bij de leerlingen

    Het is te allen tijde belangrijk om alle kinderen een houding aan te leren om zich bewust te worden van woorden die ze (nog) niet kennen. Met de taalmuur heb je hier een visuele reminder voor. Zodra je een lastig woord tegenkomt in je les, bij welk vak dan ook, kun je samen beslissen of dit woord op de taalmuur thuishoort. Doe dit hardop denkend voor. Blijf dit herhalen.  Noteer niet alle moeilijke woorden, maak keuzes hierin.

     

    4. Strategieën aanleren

    Om kinderen strategieën aan te leren waarmee ze nieuwe woorden kunnen leren, is een taalmuur een goed middel. Laat ze alert worden en actief meedenken over de inhoud. “Hé, dat is een nieuw woord, kennen we dit woord al? Waar heeft het mee te maken? Kunnen we er iets over opzoeken? Welk deel van het woord kennen we al wel? Met welk woord heeft dit een verband?” (denk aan vergrotende trap, tegenstelling, categorie, enz)
    Leer ze bewust aan wat ze kunnen doen met een taalmuur en hoe ze hem kunnen gebruiken of zelfs aanvullen.

     

    5. Modeling met een taalmuur

    Het is belangrijk om als leerkracht een voorbeeldrol te spelen door woordenschat een belangrijke en (visueel) zichtbare plek te geven in de dagelijkse lessen. Vakoverstijgend woordenschatonderwijs en aandacht voor taal, klanken en letters geef je liefst een aparte plek in de klas, dit kun je doen door het gebruik van een taalmuur.
     

    6. Aandacht voor netwerken

    Er moet aandacht zijn voor semantische netwerken, figuurlijke taal, homoniemen, synoniemen, schooltaalwoorden zoals vaktaal, verwijswoorden, lidwoorden, werkwoorden, begrippen, tegenstellingen, aanwijswoorden, enz.
    Deze geef je het beste een (vaste) plek op een taalmuur. Dit kan al vanaf groep 2.

     

     7. Maak taal zichtbaar met een taalmuur

    In de onderbouw moet er expliciet aandacht zijn voor woordenschat en de klanken van taal. Het fonemisch bewustzijn moet getraind worden, dit maak je zichtbaar op de taalmuur. Laat bijvoorbeeld zien dat woorden rijmen met kleur of laat zien dat woorden het tegenovergestelde betekenen met een woordkast.  Taal is auditief en vervliegt daarom makkelijk, met een taalmuur geef je een visuele plek aan die taal.
    De taalmuur is een visueel handvat voor zowel de leerkracht als de leerling.
    Laat kinderen door de dag heen alert zijn op bepaalde beginklanken, eindklanken of rijmwoorden. Horen ze er weer een, dan wordt die toegevoegd op de taalmuur.
    Door het visualiseren van de rijmwoorden, de beginklanken en de eindklanken, gaan kinderen letterlijk zien wat je bedoelt. Vooral bij taalzwakke kinderen is dat erg belangrijk! 

     

    8. Aandacht voor taalvorm en zinsbouw op de taalmuur

    Gebruik functiewoorden zoals lidwoorden en voegwoorden of verwijswoorden en sta expliciet stil bij de functie van verwijswoorden of voegwoorden in een zin.
    Voor verwijswoorden kun je met een pijl boven de zin werken.  Je kunt lidwoorden en andere woordsoorten bijvoorbeeld een vaste kleur geven. Geef aandacht aan functiewoorden door er een vast gebaar aan te koppelen. Dit wordt bijvoorbeeld ook gedaan in de methode “zien is snappen”. Zij gebruiken bij het lidwoord “de” altijd een vast gebaar ( duim omhoog) , zodat je visueel duidelijk maakt dat dit een los woord is.

     

    9. Maak leerlingen eigenaar van de taalmuur, creëer woordbewustzijn

    Een taalmuur moet iets van de leerlingen worden, zij moeten hem gaan gebruiken, ermee aan de slag te gaan en zo mede eigenaar te worden van hun taalleerproces. Laat ze daarom zelf afbeeldingen zoeken, mindmaps aanvullen of tekeningen maken voor de taalmuur. Zelfgemaakt betekent vaak meer en blijft beter hangen dan een prachtig strak voorbeeld van de leerkracht. 

    10. Vergeet niet te consolideren

    Er moet met vaste regelmaat geconsolideerd worden, de taalmuur is hiervoor een visueel handvat voor zowel de leerkracht als de leerling. Bespreek woorden en kom er gedurende een week een aantal keren op terug. Je kunt er een spelletjes bij bedenken zoals raadsels of omschrijvingen van het woord. Bedenkt hier een vaste routine voor.
    Hang bijvoorbeeld een poster naast de taalmuur op met daarop een dobbelsteen en 6 spelvormen.  Of zet een grabbelpot op je bureau met kaartjes met consolideerspelletjes erop en laat elke middag iemand een spelvorm grabbelen.
    Speel bijvoorbeeld het spel: ‘raad het woord’ (neem een woord in gedachten en laat de leerlingen raden welk woord het is door vragen te stellen waarop je alleen met ja of nee mag antwoorden) 

     

    Een picto voor een op hoofd
    Mindmap voor de taalmuur
    Taalmuur overzicht op een raam
    Vraagpicto voor de taalmuur

    Op zoek naar voorbeelden?

    Kijk op mijn Pinterest pagina:  Een taalmuur in de klas.

    Laaggeletterdheid, oorzaken en interventies

    Laaggeletterdheid, oorzaken en interventies

    Laaggeletterdheid.

    Heb jij er in jouw praktijk mee te maken? Wat is het? Hoe vaak komt het voor? Wat is het verschil met TOS of een taalachterstand? Wat kun je er aan doen? Voor al deze vragen deel ik hier tips en tops rondom dit onderwerp.

    Want…1 op de 10 Nederlanders is laaggeletterd bij het verlaten van de middelbare school. In een land als Nederland is dit natuurlijk niet wenselijk, en eigenlijk ook best bijzonder.

    Wat kunnen we er aan doen, hoe vroeg moet je beginnen met bijsturen?

    De verschillen op een rijtje.

     

    Wat is TOS?

    TOS= Taalontwikkelingsstoornis

    Taalachterstand= Een achterstand in de taalontwikkeling, opgelopen door interne problemen zoals ziekte, ontstekingen, hoorproblemen of externe problemen zoals gebrekkig of onderbroken onderwijs, andere moedertaal, enz.

     

    Wat is laaggeletterdheid

    Laaggeletterdheid: Moeite met lezen, schrijven, rekenen en digitale vaardigheden. Moeilijke woorden, officiële brieven, informatieve teksten, formulieren, bijsluiters, wegbewijzering of het gebruik van de computer leveren problemen. Het wordt ook wel functioneel analfabetisme genoemd. Wanneer de persoon vooral moeite heeft met digitale vaardigheden wordt die vaak een functioneel digibeet genoemd.Je kunt ook digibeet zijn, terwijl je wel kunt lezen en schrijven, maar niet kunt werken met een computer, iPad of telefoon.

    Essentiële factoren voor het al dan niet ontwikkelen van laaggeletterdheid

    De leerling

    Leerlingen met een TOS of een taalachterstand hebben 50 % kans om leesproblemen te krijgen en hierdoor laaggeletterd de middelbare school te verlaten.
    Laaggeletterden hoeven echter niet perse een TOS of een taalachterstand te hebben.
    De leerling zelf, de intelligentie, de leesattitude, de leesmotivatie, dit alles speelt mee in het wel of niet ontwikkelen van laaggeletterheid.
    Een taalachterstand kan echter de kans op laaggeletterdheid aanzienlijk vergroten. Vooral in combinatie met de twee andere factoren hieronder.

     

    De school

    Wanneer  er door onvoorziene omstandigheden hiaten in het onderwijs plaatsvinden, wanneer het onderwijs niet genoeg of onderbroken aandacht heeft besteed aan leesonderwijs, aan leesbeleving, of niet goed inspeelt op de hulpvraag van de leerling kan dit leiden tot het ontstaan van laaggeletterdheid. Regelmatige bijscholing van leerkrachten, het vroeg signaleren van de hulpvraag en het promoten van lezen door bijvoorbeeld een schoolbibliotheek is hierbij cruciaal

     

    De thuissituatie

    Wanneer ouders ook  laaggeletterd zijn is de kans op het ontwikkelen van laaggeletterdheid bij de kinderen groot. De school is dan de enige plek waar lezen en schrijven wordt aangeboden.
    In de thuissituatie wordt er begrijpelijk weinig mee gedaan. Wanneer de ouders (of een van hen) zelf geen Nederlands spreken, of  lezen, schrijven en taal bijvoorbeeld niet belangrijk vinden, wordt de rol van onderwijs en de juiste begeleiding misschien wel doorslaggevend. Ouderbetrokkenheid kan een cruciale rol spelen bij het voorkomen of verminderen van laaggeletterdheid.

    Percentages

    Hoeveel procent laaggeletterdheid, of andere taalproblemen kom jij in jouw klas of praktijk tegen? Zo ongeveer? Gemiddeld per schooljaar? Doe een gok? Ik ben benieuwd!! Wat zijnde cijfers?

    Uit onderzoek is gebleken:
    TOS komt voor bij 5-7% van de bevolking
    Taalachterstand : de cijfers zijn onduidelijk, omdat ze vaak met laaggeletterdheid worden verward in onderzoeken.
    Laaggeletterdheid komt voor bij 1 op de 10 schoolverlaters van 16 jaar.

    1 op de 10 schoolverlaters van 16 jaar is laaggeletterd

    Laaggeletterdheid betekent problemen met lezen, schrijven , rekenen en digitale vaardigheden. Vanaf 16 jaar geeft het problemen met het verwerken van overheidsinformatie, het lezen van folders, het volgen van ondertiteling en het gebruiken van een computer of sociale media.

    Als factoren van essentieel belang bij laaggeletterdheid worden genoemd: het kind zelf, het onderwijs en de thuissituatie. Het kan veroorzaakt worden door een leerprobleem of een negatieve leesattitude, maar de kwaliteit van het onderwijs speelt ook een rol. Vanuit de thuissituatie kan het meespelen of er iets gedaan wordt met lezen, wordt lezen gestimuleerd en is er interactie thuis rondom lezen en schrijven? 

    Laaggeletterdheid

    Met een aantal interventies vanaf jonge leeftijd is laageletterdheid wellicht te voorkomen.

    10 interventies op een rijtje

    Interventie 1: VVE

    Zorg op jonge leeftijd voor gezinsgerichte educatie zoals een kwalitatief goed VVE programma. Je bent hiermee betekenisvol  gericht op taal, begrijpend luisteren en communicatie in zowel schrift als gebaar, wat een voorloper kan zijn voor goed leesonderwijs. Wek de interesse voor lezen en schrijven op een speelse manier die bij jouw doelgroep past.

     

    Interventie 2: leesbevorderingsprojecten

    Zorg voor allerlei leesbevorderingsprojecten gedurende het jaar. Werk vanuit allerlei soorten boeken, ga samen naar de bieb. Zorg dat kinderen plezier krijgen en houden in het lezen en bespreken van boeken en verhalen.
    Plan met vaste regelmaat leesbevorderingsprojecten zoals voorleesdagen, bibliotheekuitjes, voorstellingen rondom boeken, enz. 
    Boekwinkels en bibliotheken hebben vaak jaarplanningen hiervoor, gebruik die in jouw eigen planning en organiseer bijvoorbeeld zelf ook eens zo iets.

     

    Interventie 3: gezinsgerichte begeleiding

    Zorg zo vroeg mogelijk voor gezinsgerichte begeleiding en educatie met een goed doordacht (VVE) programma en activeer ouderbetrokkenheid via allerlei activiteiten.
    Maak gebruik van de Voorlees-Express. Deze organisatie bestaat uit vrijwilligers die gratis aan huis komen voorlezen. Het hele gezin profiteert vaak mee. Ouders krijgen hierdoor een goed voorbeeld, goede tips en adviezen en zusjes of broertjes luisteren meteen mee. Zijn de kinderen al wat ouder, kijk dan eens op de site van de Dyslexie-express voor tips en handige leeshulpmiddelen.

     

    Interventie 4: gevarieerd boekenaanbod

    Gebruik zoveel mogelijk verschillende soorten boeken in je aanbod. Laat kinderen kennismaken met strips, informatieboeken, verhalen, prentenboeken, kijk- en zoek-boeken, picto-leesboeken, enz. Zelfs kinderkookboeken en reclamefolders zijn inzetbaar om samen te bekijken en te bespreken. Deel alle aangeboden titels ook met het thuisfront, zodat ze wellicht in de bieb ook gehaald kunnen worden, en zo thuis herhaald kunnen worden besproken of bekeken.
    Niet te vergeten: Bij sommige kinderen werken een bepaald soort boeken beter dan bij andere kinderen. Gebruik deze voorkeur om de leeshonger optimaal te ontwikkelen. Denk bijvoorbeeld aan informatieboeken, stripboeken, kijkboeken, informatieve tijdschriften of digitale boeken.

     

    Interventie 5: inzet van verteltassen

    Gebruik verteltassen in de groep, geef een goed gevuld tas met een boek en bijbehorende materialen en spelletjes mee naar huis. Doe er ook een korte informatiefolder bij met wat tips voor de ouders over het gebruik ervan en een inventarislijst, zodat de tas compleet blijft.

    Vul een tas (of meerdere) met een leesboek (wat centraal staat of past bij het thema van dat moment) en bijpassende materialen zoals een spelletje, een puzzel, een tijdschrift of een knuffel.
    Maak ook een bijpassende  hulpkaart voor thuis waarop je tips , ideeën en adviezen geeft over het gebruik van de tas en de inhoud. Lamineer deze kaart zodat hij netjes blijft en geef de tas mee voor een vastgestelde tijd. (1 week?)
    Versier de tas met textielstift zodat hij opvalt en de kinderen nieuwsgierig maakt. Vraag hulp om de verteltassen te maken, betrek ouders hierbij, zorg voor betrokkenheid!

    Deel de foto van de tassen met de naam van het kind erbij op het nieuwsbord van jouw klas, zodat iedereen weet waar welke tas is. Handig voor het overzicht en het stimuleert weer  betrokkenheid bij de ouders.
    Houd regelmatig gesprekjes met ouders over het gebruik en de inzet van de tassen, bijvoorbeeld op inloopmomenten.

    Interventie 6: Vier een boekenfeest

    Vier regelmatig boekenfeesten. Denk aan de jaarlijkse kinderboekenweek, de voorleesdagen in januari, maar organiseer ook zelf regelmatig een boekenfeest. Vier bijvoorbeeld steeds het einde van een thema met activiteiten geïnspireerd op alle boeken die je hierin hebt aangeboden.

    Plan regelmatig een boekenfeest. Met een boekenfeest werk je direct aan leesplezier, leesbeleving en leeshonger. Vooral dat laatste is erg belangrijk om te ontwikkelen. Door een boekenfeest maak je kinderen nieuwsgierig naar meer en stimuleer je de thuissituatie om zich ook in het boek waar het feest over gaat of in meerdere boeken te verdiepen.

     

    Interventie 7: organiseer contact

    Bij laaggeletterde ouders is het belangrijk om met elkaar in contact te komen. Probeer een contactgroep te organiseren of vind er eentje in jouw buurt die aanspreekt bij ouders en/of leerlingen. Samen praten over dingen die wat lastiger zijn neemt een heleboel onnodige schaamte weg en kan leiden tot een verbetering en het helpen van elkaar met ieders talenten. Zorg voor koffieochtenden, inloopuurtjes, themavieringen, themavoorbereidingen. Laat ouders merken dat ze steun kunnen vinden bij elkaar. Geen schaamte maar samen werken en samen leren.

     

    Interventie 8: een rijke taalomgeving

    Zorg voor een rijke taalomgeving, door hoeken/plaatsen in je lokaal te creëren waar gedeeltes uit het boek of het hele verhaal nog eens herhaald kan worden. Een verteltafel om het verhaal na te spelen, een themahoek zoals in het boek om iets na te spelen, een ontdekhoek om het probleem uit het boek nog eens te verwerken, een knutselhoek om creatieve ideeën naar aanleiding van het verhaal een kans te geven.

    Een rijk taalaanbod betekent ook dat je veel en vaak voorleest uit verschillende soorten boeken en daarbij gebruik maakt met mooi rijk taalgebruik. Gebruik tijdens de communicatie gebaren, intonatie en gezichtsuitdrukkingen om het verhaal te verlevendigen. Zowel in de klas als thuis is het belangrijk om materialen aan te bieden die uitnodigen tot een dialoog, een gesprekje of een ander taalmoment, graag in combinatie met boeken of verhalen. Dit kan bijvoorbeeld een emmer, een laars of een speelgoedauto zijn, maar het kan ook iets zijn wat je in de supermarkt koopt. Zoek het voorwerp of de vraag die gerezen is tijdens het gesprek, later thuis of in de klas samen op, in boeken, in tijdschriften via Google, op je telefoon, zoek naar bijbehorende afbeeldingen. (TIP: zorg voor een goed leeftijdsfilter.) Praat erover, lees erover en zorg dat het op een leuke manier verwerkt wordt door het talig brein van jouw leerling of kind. Zing er een liedje over, verzin er een rijmpje bij. zorg voor verwerking en consolidering want… Alles is taal!

     

    Interventie 9: gebruik levende boeken

    Zorg voor zowel papieren boeken als digitale boeken. Maak ook eens gebruik van levende boeken. Dit zijn de geanimeerde digitale boeken van Bereslim. Uit diverse onderzoeken is gebleken dat ze de woordenschat, het fonemisch bewustzijn en het verhaalbegrip bevorderen. De boeken van Bereslim zijn gratis te bekijken in iedere bibliotheek door ouders en kinderen. Voor logopedisten, ambulant behandelaars en scholen zijn speciale abonnementen af te sluiten. Lees er alles over op de site van http://bereslim.nl

     

    Interventie 10: geef het goede voorbeeld

    De laatste interventie is eigenlijk een open deur, zorg voor goed voorbeeldgedrag. Zien lezen, doet lezen. Plezier in boeken uitdragen zorgt voor een andere leesattitude. Voorlezen, interactief voorlezen en samen bespreken van verhalen werkt in alle gevallen prima voor de taalontwikkeling, en in de meeste gevallen voor leesplezier in de toekomst.

    Geef daarom het goede voorbeeld. Zorg in jouw lokaal voor verschillende soorten boeken, ga zelf ook regelmatig in de leeshoek zitten en lees voor of bespreek de boeken. Zorg voor een duidelijke ordening van de boeken.
    Maak bijvoorbeeld drie bakken op kleur gesorteerd met themaboeken, dierenboeken en seizoensboeken (of een andere ordening die jij op dat moment hanteert). Wanneer je vervolgens de boeken duidelijk codeert door middel van een kleursymbool (plakfiguur of sticker), kunnen de leerlingen dit prima zelf netjes ordenen.
    Geef het goede voorbeeld en zorg voor overzicht.
    Mijn tip: Beter goed geordend wat minder boeken en vaak rouleren, dan teveel boeken en een rommeltje.

     

    Laaggeletterdheid en speelhoeken

    Wat kun je met jouw hoeken in de klas?

     Eigenlijk kun je alle hoeken in jouw groep inzetten voor preventie van laaggeletterdheid.

    Vooral de taalhoek, de verteltafel, de themahoek en de knutselhoek lenen zich prima om een aantal interventies zoals hierboven benoemd, te implementeren.

    Doe het samen met de kinderen.

    De hoeken steeds aanpassen per thema of zelfs per prentenboek is leuk, maar je creëert meer betrokkenheid wanneer je dit samen met leerlingen doet. Het is belangrijk om de kinderen hierbij te betrekken. 

    Laat ze de verteltafel zelf inrichten per boek, geef materialen of ga samen op zoek en laat ze met hun eigen fantasie het verhaal uitbeelden. Betrek ouders erbij, maak samen met de klas een wensenlijst en hang die op waar ouders het kunnen zien. Verzamel zo samen de materialen voor de hoeken. Is er een mooi tafereel gebouwd, laat de kinderen dan foto’s nemen met een iPad of tablet, en hang die op of stop ze in een speciale map bij de verteltafel,  ter inspiratie voor de anderen.

    In een bouwhoek kun je platen uit het boek of passend bij een verhaal ophangen ter inspiratie. Hang bijvoorbeeld foto’s op die je via Google hebt gevonden en hebt gebruikt op je digibord bij een gesprek over bijvoorbeeld gebouwen of woningen.
    Ook hier is een foto van eigen werk, opgeslagen in een bouwhoek-boek super motiverend voor de leerlingen.

    Bij de taalhoek of de rekenhoek is ook altijd wel een link te leggen met het centrale prentenboek of het thema van jouw groep.
    Worden er in het boek bijvoorbeeld kastanjes verzameld, zet dan een weegschaal weg met een bak kastanjes erbij.

    Wordt er in een boek een hol gebouwd door een dier, ga dan buiten samen op zoek naar materiaal en leg dat in de zandtafel. Voeg hierbij wat dieren toe en laat de kinderen ontdekken hoe ze een stevig hol kunnen maken.

     

    Maak doelen zichtbaar!

    Zorg in alle hoeken voor duidelijke regels, doelen en rijke inhoud. Maak dit duidelijk voor zowel leerlingen als voor ouders.

    Voor elke hoek een informatiekaart

    Op een Amerikaanse site voor Preschool teachers zag ik een voorbeeld van Centre-signs.
    Dit zijn borden voor iedere hoek waarop je de regels van de hoek visualiseert maar ook de leerdoelen.
    Dit laatste is dan vooral ook bedoeld voor ouders die in de klas komen en hierdoor meer inzicht krijgen in de activiteiten, de doelen en de achtergronden hiervan.
    Ik heb een paar voorbeelden gemaakt met een Nederlandse tekst.

    De boekenhoek kaart
    de knutselhoek kaart

    Ga jij aan de slag met hoeken en doelen?

    Laat het weten in een reactie, ik ben benieuwd naar jouw ideeen .  

     

    Bron: Dit blog is gebaseerd op praktijkervaring en desktop research.

    Voor aanvullende en onderbouwde informatie over laaggeletterdheid kun je de volgende bronnen raadplegen:

    • Stichting Lezen en Schrijven: biedt uitgebreide informatie en statistieken over laaggeletterdheid in Nederland.

    • Taal voor het Leven: een programma dat zich richt op het verbeteren van taalvaardigheden bij volwassenen.

    • Rapporten van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over taalvaardigheid en onderwijs.

    • Publicaties van het Kenniscentrum Taalontwikkeling over taalachterstanden en interventies.

    Daarnaast is het boek Laaggeletterd Leren Lezen – Patricia Hazemeijer een waardevolle bron voor praktische tips en inzichten over het ondersteunen van laaggeletterde volwassenen.

    Woordenschat en leerlijnen

    Woordenschat en leerlijnen

    Werken aan woordenschat, waarom en hoe?

    Het klinkt als iets waar iedere leerkracht eigenlijk automatisch aan werkt, en eigenlijk is het dat ook.

    Toch krijg ik nog best vaak vragen zoals:

    • Hoe is die leerlijn nu ook weer opgebouwd?
    • Waar moet ik op letten bij mijn woordenschatonderwijs?
    • Hoe kan ik het beste extra aandacht geven aan mijn woordenschatonderwijs?

     

    Woordenschat onderwijs, dat doe je de hele dag

     

    Bij alle activiteiten in jouw klaslokaal of bij al je gesprekken thuis of tijdens een ondersteuningsmoment gebruik je taal.
    Je bent continu iets aan het vertellen, iets aan het vragen, iets aan het uitleggen.  Je bent de hele dag aan het communiceren.  zowel verbaal als nonverbaal. Je gebruikt je mimiek, je intonatie en je stemvolume om bepaalde woorden te verduidelijken of kracht bij te zetten
    Ben je hier ook bewust van en ga vooral de moeilijker woorden niet uit de weg maar leg ze uit, verduidelijk ze tijdens je verhaal. Gebruik ook regelmatig informatieve boeken om zo de de taal te verrijken van kinderen.

    Een voorbeeld

     

    Uit het boek “Een haan gaat op wereldreis” van Eric Carle

    Na het citaat het extra stukje taalaanbod wat je zou kunnen geven om woorden in de context te verduidelijken.

    We zijn zo bang mompelen de vissen.  

    De vissen schamen zich en durven het niet hardop te zeggen.  Ze mompelen maar een beetje. Ze zeggen niet hardop “wij zijn zo bang”, maar ze mompelen “wij zijn zo bang”. (Gebruik hierbij dus je intonatie als voorlezer.)

    Aan dat soort dingen had de haan niet gedacht.
    Hij wil wel op wereldreis, maar hij heeft niet voor eten en onderdak gezorgd.

    De haan had voor eten gezorgd, maar de dieren moesten natuurlijk ook ergens slapen. Niet ergens buiten maar liefst ergens binnen, een huisje, een holletje of een nestje, ergens waar ze onderdak hebben, een fijn plekje om te slapen. Een veilig onderdak.

     

    Eigenlijk werk je continu aan woordenschat.

    Als leerkracht ga je bewust met je taalaanbod om.
    Je gebruikt niet alleen de dagelijkse algemene woordenschat maar je gebruikt ook steeds vaker themawoorden in je gesprek, je gebruikt vaktermen wanneer je over een bepaald onderwerp praat en je gebruikt minder alledaagse woorden zoals voegwoorden (omdat, daarom, als), verwijswoorden(hij, zij, haar, hem,dit,dat), schooltaalwoorden (woorden die de woordenschat verdiepen en verbreden en aanzetten tot taaldenken)  en verschillende vormen van werkwoorden (gezwommen, gebleven, liepen).

     

    Het verloop van de opbouw van woordenschat

    Hoe verloopt eigenlijk de leerlijn van woordenschat? 

    Volgens het CED kun je de woordenschat leerlijn als volgt indelen:

    Groep 1-3

    De leerlingen:

    1. Beschikken over een basiswoordenschat 
    2. breiden gericht hun (basis)woordenschat uit
    3. leiden nieuwe woordbetekenissen af uit verhalen
    4. zijn erop gericht woorden productief te gebruiken
    5. maken onderscheid tussen betekenisaspecten van woorden.                                    (CED)

     

    In eerste instantie worden vooral zelfstandige naamwoorden en werkwoorden verworven.
    Vanaf de leeftijd 3 a 4 jaar gaat dit versneld omdat kinderen dan naar school gaan.
    Woorden van buiten hun belevingswereld komen er in een rap tempo bij.

     

    De BAK-lijsten (BAK staat voor Basiswoordenlijst Amsterdamse kleuters. ) zijn toonaangevend voor de groepen 1-2.

    De BAK-lijsten staan in het onderwijs bekend als ‘de placemats’.  De lijsten zijn ingedeeld per groep en bieden verdeling in een themagericht aanbod, een minimumaanbod en een uitbreidingsaanbod. 

    De 3000 woorden zijn de basis voor een goede woordenschat aan het eind van groep 2.

    TIP: Download onderaan de pagina de Baklijsten voor groep 1 en 2

     

    Groep 4-5

    De leerlingen:

    1. verbreden en verdiepen hun woordkennis
    2. hanteren strategieën voor het afleiden van woordbetekenissen
    3. hanteren strategieën voor het onthouden van woorden
    4. kennen betekenisrelaties tussen woorden (onderschikking/bovenschikking, bijvoorbeeld: fruit-appel)
    5. begrijpen figuurlijk taalgebruik.                                    (CED)

     

    Woorden kun je halen uit woordenschatlijsten via Digiwak.

    Kijk maar eens op deze lijst met woorden.
    Hier zijn woordenschatlijsten per groep en per thema op te roepen.
    Om alle schoolse activiteiten en de lesstof van alle vakken bij te kunnen benen is een goede woordenschatverwerving nodig. Woordbetekenissen worden verdiept. Er worden strategieën aangeleerd om woorden en hun betekenis te ontdekken en er worden steeds meer betekenisrelaties tussen woorden gelegd.
    Vanaf groep 5 komt figuurlijk taalgebruik herkennen er ook bij.

     

    TIP: bekijk via de link onderaan de pagina de digiWAKlijst voor groep 3-8

     

    Groep 6-8

    De leerlingen:

    1. kunnen hun woordenschat zelfstandig verbreden en verdiepen
    2. kunnen strategieën verwoorden voor het afleiden en onthouden van woordbetekenissen
    3. kunnen woorden buiten de context definiëren
    4. leggen zelf betekenisrelaties tussen woorden
    5. passen figuurlijk taalgebruik toe.                                    (CED)

     

    Vanaf groep 6 worden nieuwe, veelal abstracte woorden geleerd op basis van een aantal bekende woorden.

    Bijvoorbeeld:

    • Bij boos denk je nu aan woedend en furieus
    • Bij boom denk je nu aan loofboom, spar, naalden of bladkroon
    • Maar ook woorden als alsmaar, aandachtig, echter, hoewel.

     

    Er wordt voortgebouwd op woorden die het kind al kende.
    Minder frequente woorden worden aangeboden en geleerd, zodat de eerdere bekende woorden meer diepgang krijgen. Ook figuurlijke taalgebruik komt erbij.
    Schooltaalwoorden worden belangrijk om alle vaktermen en begrijpend leesteksten te kunnen volgen.

     

    Klik hieronder op de link om meer over schooltaalwoorden te lezen, wat dit zijn en waar je ze kunt vinden.

     

    Grote verschillen vanaf de kleuterleeftijd.

    Er bestaan grote verschillen tussen kinderen op het gebied van hun taalontwikkeling, wanneer ze groep 1 binnenwandelen.
    Dat maakt het voor leerkrachten lastig differentiëren. De verschillen tussen de kinderen die met een beperkte woordenschat starten met school en kinderen met een rijke woordenschat worden in de loop van de basisschool alleen maar groter.

    Een kleutergroep bevat al snel drie verschillende startniveaus op het gebied van woordenschat en taal. 
    Wat is dan de oplossing? 

     

    Wist je dit van woordenschat?:

    • Wist je dat een gemiddelde leerling groep 3 binnenkomt met gemiddeld 3000 woorden?
    • Wist je dat dit aantal bij leerlingen met een TOS of een taalachterstand vaak maar de helft is (1500=peuterniveau).
    • Wist je dat een Nederlandstalige leerling in groep 8 gemiddeld 17.000 woorden kent?
    • Wist je dat een anderstalige leerling in groep 8 gemiddeld 10.000 woorden kent?
    • Wist je dat een anderstalige leerling vaak een taalachterstand heeft, en dat een taalstoornis alleen maar duidelijk wordt door ook de moedertaal ook te screenen?
    • Wist je dat jij en ik, als volwassene, gemiddeld 60.000 woorden kennen?
    • Wist je dat je een tekst pas goed kunt begrijpen wanneer je 95% van de woorden in die tekst ook kent?

     

    Wat kun je doen met woordenschat in de klas

    Leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis of een taalachterstand hebben veel in te halen.
    Stel je voor dat je het verschil tussen 1500 en 3000 in de kleutergroepen wilt oplossen, of dat je de leerlingen aan het eind van groep 8 al die 17.000 woorden wil hebben aangeboden.

    Dat vereist een sterke discipline. je praat dan al snel over 14.000 woorden verdeeld over groep 3-8. Dat is meer dan 2000 woorden per leerjaar. Omgerekend zijn dat dan 50 nieuwe woorden per week!!

     Gelukkig leren de leerlingen veel woorden incidenteel, tussendoor in gesprekken of verhalen. Ze worden in een context aangeboden, in zinnen, of verhalen, die de woordbetekenis duidelijk maken.

    Toch zullen er zeker een aantal woorden ook intentioneel moeten worden aangeboden, volgens een vaste en beproefde methode met voldoende aandacht en terugkerende aandacht waardoor de woorden ook goed geconsolideerd worden.

    De viertakt van Verhallen, beter bekend als “met woorden in de weer”is hiervoor een beproefde methode.
    Klik hieronder om verder te lezen wat het is en hoe je het toepast in de klas of in jouw begeleiding.

     

    De 5 belangrijkste pijlers voor goed woordenschatonderwijs

     

    1. Ieder intentioneel gekozen woord wordt in een juiste context aangeboden worden.
    2. Een intentioneel gekozen woord moet moet minimaal 7 x herhaald worden. (liefst 10-15 keer)
    3. Een intentioneel gekozen woord moet altijd en in relatie tot andere woorden worden geplaatst en dit moet worden  gevisualiseerd met bijvoorbeeld een woordweb, een woordkast of een woordparachute.
    4. Wanneer je een moeilijk woord tegenkomt, model dan hoe je achter de betekenis zou kunnen komen. Denk hardop na , gebruik voor de voor jouw leerlingen bekende strategieën zoals terugkijken in het boek, opzoeken op het internet, teruglezen in de tekst, opzoeken op de taalmuur, enz. 
    5. Gebruik een vaste plek in jouw lokaal voor een taalmuur. Hierop gebruik je een vast gedeelte als ruimte  voor woordenschat. gebruik niet te kleine materialen, maak het zichtbaar voor alle leerlingen en kom er gedurende de week regelmatig op terug met bijvoorbeeld de consolideeroefeningen.

    Bonustips:

    Wil je de woordenschat van je basisschoolleerlingen vergroten?

    2 tips vanuit de geheugenpsychologie: herhaal en spreid!

    Uit onderzoek is gebleken dat twee strategieën bijzonder effectief zijn bij het opdoen van nieuwe woorden: het spreiden van leermomenten en het ophalen van kennis uit het geheugen.

    Wil je leerlingen bijvoorbeeld iets nieuws leren, prop dan niet alle instructie in één of twee sessies, maar spreid de instructie over de tijd. En wil je ze laten oefenen met nieuwe kennis, vraag ze dan niet om de informatie nog eens te lezen, maar laat ze antwoorden geven op (zelfbedachte) vragen. 

    Bron:

    Gino Camp en Nicole Goossens, ‘Schooltaal en woordenschat in taalonderwijs op de basisschool’. Open Universiteit/NRO, 2016 in Didactief online 

     

    Hoe zet jij in op woordenschat in jouw praktijk?

    Laat het hieronder weten in een reactie.

    Apps om de taalontwikkeling te stimuleren

    Apps om de taalontwikkeling te stimuleren


    Apps om de taalontwikkeling te stimuleren!

    Op onze cluster 2 school Auris de Spreekhoorn in Breda werken wij met iPads in de kleutergroepen.
    Sinds de invoering zijn wij vooral op zoek naar een manier om de iPads in te zetten bij ons taalonderwijs We zoeken dus niet perse naar leuke apps maar liefst naar apps waarbij je taal creëert of naar taalmomenten waar de Ipad een meerwaarde kan hebben.

    Uiteraard zetten we de Ipad ook in tijdens onze werklessen om leerlingen zelfcontrolerend en visueel aan de slag te laten gaan met motorische activiteiten en apps waarbij het voorbereidend rekenen wordt geoefend. Kijk hier hoe wij dit doen.

    In dit artikel wil ik jullie meenemen naar een aantal apps die je kunt gebruiken in je groep om taal te ontlokken en zo de taalontwikkeling kunt stimuleren.

     

    Een aantal apps onder het voetlicht

    Ik heb er hier drie uitgekozen om te bespreken

    1. Tinytap

    Dit is een gratis app waarbij je zelf digitale oefeningen maakt die je leerling kunt laten spelen.
    Er zijn heel veel mogelijkheden om een spel in te richten. Je kunt het zo moeilijk maken als je zelf wilt. Het leukste van Tinytap is dat er een cloudopslag aan vast zit waarin je jouw zelfgemaakte spellen kunt opslaan en kunt delen. Maak je bijvoorbeeld bij thema herfst een spel rondom de woorden die je bij dat thema aanbiedt, sla het op in de Tinytap cloud, dan heb je daar volgend jaar weer plezier van. Het mooiste is wanneer je met je collega’s om de beurt een spel maakt en die spellen samen deelt. Zo bouw je een prachtige thematische bibliotheek op. Kijk vooral ook eens bij al die leerkrachten die jou voor zijn gegaan. Echt een aanrader.

    Denk je nu, dat is mij veel te ingewikkeld! Ik heb speciaal voor deze app een video instructiefilmpje gemaakt dat ik hier met jullie deel. Zo zie je stap voor stap hoe het werkt om een spel te maken en op te slaan.

    Klik hier voor het filmpje via YouTube. Lees ook eens mijn blog over het klaarzetten van een Tiny Tap spel voor jouw leerlingen

     

    2.  My Play Home

    My Play Home is een leuke app waarbij je speelt in een soort digitaal poppenhuis met diverse kamers. Het mooie van deze app is dat er geen gesproken taal wordt gebruikt. Ieder kind, ongeacht taalniveau, kan dus met deze app aan de slag te met ontdekken en uitproberen.
    Als begeleider kun je opdrachten geven die de leerling binnen de omgeving moet uitvoeren.
    Leerlingen kunnen elkaar opdrachten geven en je snapt het al. Bij dit soort activiteiten komt er heel veel taal, zinsbouw en woordenschat om de hoek kijken.
    De app heeft diverse
     uitbreidingen waarmee je van de ene naar de andere omgeving kunt lopen binnen de app.
    Wanneer je bijvoorbeeld met de app My playHome School speelt, dan kun je naar buiten lopen en over de stoep naar het winkelcentrum (My PlayHome Stores). Loop iets verder door en je komt bij het huis uit (My PlayHome).

    Er zijn ook regelmatig updates met nieuwe karakters en mogelijkheden. Ik vind deze app dan ook zeker een aanrader. Binnen onze begeleiding van Cluster 2 leerlingen worden de apps dan ook regelmatig ingezet.

    3. Toca Boca apps

     

    Er zijn natuurlijk ook veel apps die al kant en klaar zijn en waarbij je veel taal kunt ontlokken door kinderen samen aan de gang te zetten met zo’n app. Indien mogelijk kun je er als leerkracht of begeleider naast gaan zitten. Favoriet in mijn groep zijn hiervoor de apps van Toca Boca.
    Belangrijk bij het spelen van deze apps is open vragen stellen. Doorvragen over wat je ziet en  opmerkingen maken over, of benoemen van de de dingen die je ziet in de app, om zo de leerling ook te stimuleren tot taalgebruik.
    Toca Boca apps zijn gemaakt zonder taal maar met geluiden en zeer visueel aantrekkelijk. De bediening is zeer simpel en in het “For Parents”  gedeelte kun je tips lezen over de vragen die je kunt stellen aan je kind of leerling tijdens het spelen van de app. Heel handig dus en echt aanraders.

    TIP:
    Ik mag soms gratis promocodes weggeven aan mijn volgers op facebook.
    Dus like mijn facebookpagina en houdt mijn timeline in de gaten voor leuke winacties!

    Hoe zet jij apps in voor taalontwikkeling?

    Laat het mij weten in een reactie.

    Ik Ben benieuwd naar jouw tips en ervaringen.

    Wil jij creatief aan de slag met taal en digitale tools?

    Bekijk dan al mijntrainingen in de Digitaalspeciaal Online Academy!

    Volg vanuit je eigen huiskamer op jouw eigen tempo en tijdstip mijn online trainingen en masterclasses.

    Via deze mailinglijst ontvang je meteen een kortingscode waarmee je kortingen kunt krijgen tot 50%!
    Ook ontvang je als eerste het laatste nieuws over de Digitaalspeciaal Online Academy.

    Bedankt! Je bent succesvol ingeschreven. Ik beloof je dat ik je niet ga spammen, wil je echter toch uitschrijven dan kan dat natuurlijk altijd onderaan elke mail. Bij Gmail en Hotmail komen mijn mails vaak in SPAM terecht. Wil geen enkele mail missen? Voeg mijn mailadres dan toe aan jouw lijst met vertrouwde contacten of bij Gmail aan de mailbox Primair. Groet, Marita

    Pin It on Pinterest