Geen Resultaten Gevonden
De pagina die u zocht kon niet gevonden worden. Probeer uw zoekopdracht te verfijnen of gebruik de bovenstaande navigatie om deze post te vinden.
Sinds woensdag 13 mei 2020 ben ik een heuse Podcast online gestart.
In deze podcastserie ga ik steeds in gesprek met een expert of een ervaringsdeskundige over de diagnose TOS, oftewel taalontwikkelingsstoornis. Deze diagnose kan nog veel meer bekendheid krijgen en wordt nog te vaak gemist in de wereld van onderwijs en zorg.
Ga hier naar het overzicht van alle podcast afleveringen in deze serie.
Ik start met een gesprek met Marielle Vermeulen. Een echte ervaringsdeskundige op het gebied van TOS. Marielle heeft namelijk zelf een taalontwikkelingsstoornis.
Zij heeft op haar 23e al flinke bekendheid als motivatiespreker binnen de wereld van Cluster 2 onderwijs, maar is altijd op zoek naar een groter publiek.
Naast haar eigen website www.mariellevermeulen.nl heeft ze ook een account op instagram ( ervaringsdeskundige_tos) , op Facebook en een eigen Youtubekanaal. (Marielle Vermeulen)
Zij heeft het tot haar missie gemaakt om jongeren met TOS te helpen in de talige wereld en ze wil graag meewerken aan onderzoeken rondom TOS.
Ze ontwikkelt zelf methodische materiaal voor leerlingen met een TOS, in samenwerking met invloedrijke onderzoekers op het gebied van Cluster 2.
Daarnaast schrijft ze ook boeken. Haar eerste boek is getiteld:
“Hoe begrijp ik taal als ik TOS heb”
en is te bestellen via haar website.
Ook staat ze regelmatig op congressen, geeft ze lezingen voor professionals en leerlingen op scholen en mag ze in het najaar van 2020 zelfs op een TEDx event haar verhaal vertellen over haar missie.
Reden genoeg dus om deze Podcast te starten met een interview met Marielle.
We voerden het gesprek via ZOOM, zodat we elkaar wel konden zien.
Zoals Marielle ook uitlegt tijdens de Podcast, is communicatie niet alleen luisteren, maar ook kijken, verwerken en vooral voelen.
Deze eerste aflevering is iets langer geworden dan de bedoeling was. Hopelijk weerhoudt het jou als luisteraar niet om het verhaal van Marielle te beluisteren.
Het was een prachtig en inspirerend gesprek, met op het eind wijze woorden van Marielle zelf.
“Voel je niet alleen, wanneer je TOS hebt. Ik ben er ook groot mee geworden.”
De pagina die u zocht kon niet gevonden worden. Probeer uw zoekopdracht te verfijnen of gebruik de bovenstaande navigatie om deze post te vinden.
Mocht je nog iemand weten die te gast zou willen zijn in deze Podcast?
Laat het mij weten hieronder in een reactie.
Veel collega’s werken met letters en klanken aan de hand van hun thema’s of aan de hand van een methode.
Maar hoe bereid je leerlingen met een TOS het beste voor op het lezen?
Eerst even een observatie vanuit het veld. Er wordt in het basisonderwijs eigenlijk altijd aandacht besteed aan het voorbereidend lezen. Maar hoe ziet dit eruit in de praktijk?
In sommige gevallen worden de klanken vergeten en wordt er vooral getraind op visuele letterherkenning.
Maar de fonemische en fonologische ontwikkeling gaat hier eigenlijk nog aan vooraf.
Spreekt ieder kind de klank wel correct uit, wordt de klank herkend? hoe is deze klank in de thuistaal verschillend aan die in het Nederlands?
In de onderbouw is werken met letters ook regelmatig een onderwerp van discussie.
Gaan we te ver, moet je kleuters wel in aanraking brengen met letters? Wat is het verschil tussen fonologisch en fonemisch bewustzijn, en waarom?
Eerst even deze term verklaren, want wat is functionele geletterdheid?
Functionele geletterdheid heeft te maken met de lees- en schrijfvaardigheid en is te omschrijven als: “kennis en vaardigheden die een persoon in staat stellen om geschreven taal te gebruiken als middel voor communicatie en informatieverwerking”.
Het is een voorwaarde om te kunnen functioneren in onze maatschappij, zeker voor leerlingen met TOS.
Allemaal redenen om functionele geletterdheid een serieuze plek te geven vanaf groep 1.
Maar hoe doe je dat vanaf die jonge leeftijd? Wordt het dan niet te snel te schools? En waar moet je beginnen?
Het fonemisch bewustzijn is van groot belang voor het leren lezen. Vaak worden de termen fonologisch en fonemisch bewustzijn door elkaar gebruikt. De termen worden als gelijk gezien en gebruikt.
Dit is echter niet helemaal waar.
Het fonologisch bewustzijn is breder, het is de opstap naar en ondersteuning van het fonemisch bewustzijn.
Als er nog onvoldoende fonologisch bewustzijn is, zal het fonemisch bewustzijn zich ook niet goed ontwikkelen. Hierbij gaat het erom dat een kind de betekenis van een woord los kan laten en dat het kan kijken naar de vorm van het woord, de losse klanken.
In het boek “Technisch lezen in een doorlopende lijn” van Marita Eskes wordt beschreven dat deze bovengenoemde pijlers niet als opeenvolgende fasen gezien moeten worden.
Met andere woorden: mocht er iets niet lukken, dan is dat geen reden om een andere fase niet aan te bieden.
Het fonologisch bewustzijn komt weliswaar als eerste aan bod vanaf groep 1, maar loopt door tot ver in groep 3.
Het fonemisch bewustzijn komt later op gang en wordt ondersteund door het fonologisch bewustzijn.
Als voorbeeld noem ik het rijmen, mocht dit niet lukken dan is dat geen reden om niet verder te gaan met andere fonologische oefeningen en daarna fonemische oefeningen.
Zodra we woorden horen, leren we de betekenis. Het woord, gerepresenteerd door klanken wordt niet alleen opgeslagen als woord, maar ook als betekenis.
De beginnende lezer moet leren dat een woord opgedeeld kan worden in kleinere eenheden, zoals de afzonderlijke lettergrepen en klanken.
Er is fonologisch en fonemisch bewustzijn nodig voor het leren lezen.
Maar het zich ontwikkelende leesproces verstevigt ook het fonologisch en fonemisch bewustzijn.
Kinderen die goed en snel kunnen verklanken kunnen hun aandacht meer richten op het begrijpen, ze komen dus eerder tot woordherkenning en tekstbegrip.
Daarnaast zijn ook het verbale werkgeheugen en benoemsnelheid van belang voor het aanvankelijk leesproces. (Aarnoutse, 2006)
De benoemsnelheid van letters is dus van grote invloed op directe woordherkenning en op het vlot lezen van een tekst in groep 3. Kinderen die moeite hebben met klanken en taal, hebben meer oefening nodig om het fonologisch en fonemisch bewustzijn te ontwikkelen.
Hoe vroeger daarmee beginnen hoe beter dus.
Voor een succesvolle leesontwikkeling in groep 3 is dus een goede aanloop nodig in de kleutergroep. Hoe kun je daarvoor zorgen?
1.Leerlingen met een TOS hebben een zwakker werkgeheugen
Voordat het aanvankelijk lezen begint is er vaak al een sterke koppeling tussen de betekenis van woorden en de klankvorm. Woorden worden in hun juiste klankvorm opgeslagen en geproduceerd. Bij beginnende geletterdheid komt daarbij de koppeling naar de geschreven vorm van het woord. Kinderen gaan bijvoorbeeld schrijven wat ze horen, het zogeheten fonetisch schrijven.
Kinderen met TOS hebben vaak een zwak verbaal korte-termijn-geheugen. Hierdoor zit het hoofd snel vol en haken ze daardoor sneller af. Het volle hoofd wordt niet altijd gezien, verminderde alertheid of soms zelf desinteresse wordt hier vaak mee verward.
Het zwakke werkgeheugen heeft ook invloed op het opslaan van het fonologisch woordbeeld. Het opslaan en vasthouden van een groot aantal eenheden (klanken, lettergrepen of woorden) lukt niet of niet voldoende.
Om een woord goed te kunnen synthetiseren of analyseren moet een kind alle klanken in de juiste volgorde onthouden.
Vervolgens moeten de woorden in de zin ook weer worden onthouden om tot zinsbegrip en uiteindelijk tot leesbegrip te komen. Leerlingen met een TOS lezen bijvoorbeeld vaak over de bijwoorden en voegwoorden heen.
Alleen de functiewoorden die er uit springen, worden onthouden. Een langere zin of tekst wordt daardoor niet voldoende begrepen. Het geheugen zit vol door het harde werken aan het verklanken van de afzonderlijke letters of woorddelen, waardoor het begrip van de uiteindelijke zin of tekst niet meer op gang komt.
Bij een zwak werkgeheugen loop je hiermee al snel vast. Een afbeelding naast de tekst, die bijdraagt aan het begrip, is dan bijvoorbeeld een goede steun.
De nieuwe weg loopt door de stad, richting het zwembad.
of:
De nieuwe weg loopt naast de stad, richting het zwembad.
—
Freek loopt naast de koala door het bos.
of:
Freek loopt naast de koala richting het bos.
Ze hebben moeite met het verwerken van elkaar snel opvolgende auditieve input zoals spraakklanken.
Het kind moet eerst de individuele letters en de volgorde van de letters in woorden kunnen herkennen voordat woorden herkend worden en het lezen van woorden geautomatiseerd wordt.
Het visualiseren en spelen met letters vanaf groep 1, in allerlei taalstructuren zoals woordwebben, visualisaties van gesprekken, woordkaartjes in speelhoeken en letter/klank/woordspelletjes met concreet materiaal, brengt de kinderen in aanraking met letters en klanken en hun rol ten opzichte van elkaar. Spelenderwijs aanbieden vanaf groep 1 betekent dus ook veel liedjes, versjes, woordspelletjes, luistervormen, enz.
De 2 verschillen tussen het woord ‘baard’ en het woord ’taart’ zijn lastig te horen, maar het geeft een groot verschil voor het taalbegrip.
Het is daarom belangrijk voor leerlingen met een TOS om klanken en letters intentioneel aan te bieden in de kleuterperiode. Dat betekent dat je de fonologische processen zoals eerder genoemd bewust in gaat plannen in je beredeneerd aanbod.
Automatiseren is natuurlijk een kwestie van veel en vaak oefenen. Gemiddeld moet een leerling iets 8-10 keer horen voordat het is opgeslagen in het lange-termijn-geheugen.
Bij een leerling met een TOS kun je dit minimaal verdubbelen, misschien zelfs wel verdriedubbelen.
Het duurt bij deze leerlingen een stuk langer, voordat iets geautomatiseerd is. Een multi-sensorische aanpak, met een link naar de eigen kennis van de wereld en eventuele visualisaties is belangrijk.
In alle fasen van geletterdheid zijn de leerresultaten het grootst wanneer activiteiten via verschillende zintuigen (multi-sensorieel of multi-dimensioneel) worden aangeboden.
Zowel auditief, visueel (plaatjes, gebaren, geschreven taal) of via tast, geur en/of smaak, afhankelijk van wat ‘aanslaat’ bij de leerling.
1. Houd de vinger aan de pols
Fonemisch bewustzijn en letterkennis zijn belangrijke voorspellers voor het aanvankelijk leesproces. Start al vroeg, in groep 1, met voorbereidende leesactiviteiten. De voorschotbenadering biedt mogelijkheden voor intensivering van het aanbod.
2. Sta stil bij het nadenken over taal
Leerlingen met taalbegripsproblemen hebben vaak moeite met het nadenken over taal. In de kleuterjaren doen sommige oefeningen gericht op het fonemisch bewustzijn hier een beroep op (‘welk woord is langer, reus of kabouter?’; ‘welk ander woord begint met dezelfde letter als jouw naam’). Om het doel van deze oefeningen toch te bereiken hebben deze leerlingen meer expliciete instructie nodig, met zo veel mogelijk visuele ondersteuning. Nadenken over taal, metacognitie, moet visueel ondersteund worden. Schrijf de woorden op, laat zien dat het ene woord langer is dan het andere of dat ze een zelfde letter hebben vooraan.
3. Oefen op het juiste niveau
Bepaal eerst op welk niveau (zins- woord- lettergeep- of klankniveau) het kind de verschillende auditieve vaardigheden beheerst. Ga vanaf het beheersingsniveau dan verder oefenen. Een kind dat nog geen samengestelde woorden kan synthetiseren (brand-weer) zal dit ook zeker niet op klankniveau kunnen. Er zal dan eerst op woordniveau geoefend moeten worden, om dan via lettergreep-niveau pas op dat klankniveau uit te komen.
4. Oefen klanken samen met letters
Stel vast of de leerling de klanken kan onderscheiden. Oefen de klanken niet afzonderlijk maar in combinatie met de lettertekens. Leerlingen kunnen baat hebben bij extra visuele ondersteuning, bijvoorbeeld met de gebaren van Spreekbeeld of een andere methode.
Voor sommige leerlingen geldt dat zij vooral problemen hebben met de articulatie: zij kunnen de klanken niet produceren.
Voor sommige leerlingen levert dit problemen op voor de leesontwikkeling en het spellen. Dikwijls gaan hardnekkige articulatorische problemen samen met meer algemene taalproblemen en beïnvloeden zo de lees- en spellingontwikkeling. Besteed bij deze leerlingen daarom ook extra aandacht aan fonemisch bewustzijn in combinatie met letterkennis vanaf groep 1. Gebruik klankgebaren en oefen, oefen, oefen.
Hou dit zo gevarieerd mogelijk. Blijf niet eeuwig hangen in rijmen, maar pak bijvoorbeeld de map Fonemisch bewustzijn van CPS erbij en varieer in je oefeningen.

In de schrijfhoek kunnen de kinderen vrij aan de slag met stempels, stiften, potloden, klei, papier en stof. Zorg dat alle woordkaartjes van de thematafel of themahoek hier ook nog eens liggen om te vergelijken en mee te werken. Of geef juist als opdracht om ze na te maken op een mooier kaartje dan dat van de juf. Zelf kaartjes bedenken voor de diverse hoeken of andere voorwerpen uit het lokaal is natuurlijk ook een mooie activiteit om aan de slag te gaan met klanken.
Speels aan de slag met letters? Organiseer wekelijks een taalcircuit.
Lees er alles over in een speciaal blog wat ik hierover schreef.
Wil je digitale tips voor het werken met klanken en letters? Klik dan hier op de onderstaande knop.
Welke tips pas jij toe in jouw klas?
Taal is de basis voor je ontwikkeling, alles in het dagelijkse leven draait om taal, iedereen gebruikt taal. Een taalmuur in de klas levert een grote bijdrage aan de visuele ondersteuning van de taalles voor TOS leerlingen. Taal is het voertuig van het leren. Maar zonder een woordenschat op leeftijdsniveau is taal lastig, goede communicatie wordt vaak onbereikbaar, begrijpend luisteren en lezen gaat moeizaam en communicatieve redzaamheid geeft flinke problemen. Een taalmuur kan hier hulp bieden voor de leerling.
Dagelijkse sociale interactie en taalonderwijs op school leveren een grote bijdrage aan de ontwikkeling van de woordenschat van een kind.
Veel lezen draagt ook enorm bij aan het ontwikkelen van een grote leeswoordenschat. Op het einde van de basisschool is de gemiddelde omvang van de leeswoordenschat 15000 woorden volgens Aarnoutse en Verhoeven (2003)
Met een taalmuur geef je de leerlingen een visueel ankerpunt. Een centrale plek waar ze alles rondom de woordenschat, de taalregels en de gevoerde gesprekken of behandelde thema’s kunnen terugvinden.
Dit geeft taalsteun voor de taalzwakke leerlingen of de leerlingen met een TOS. Voor jezelf is het meteen een dagelijkse reminder om je consolideeroefeningen te plannen en een handige plek om naar terug te verwijzen bij uitleg of herhaalde instructie.
Kies voor een zichtbare plek, niet achterin de klas maar voorin of aan een zijwand.
Houdt meteen rekening met lichtinval, op een raam is niet echt een fijne plek dus.
Kies ook voor ruimte en formaat. Een A4 is niet leesbaar achterin en bijvoorbeeld een rood papier met zwarte letters leest ook lastig op een afstandje.
Door een centrale plek te creëren houd je ook de broodnodige rust in je lokaal. Niets is zo storend als een lokaal met overal en nergens allerlei reminders, posters, kalenders en meer van dat soort dingen. Bewaar daarom ook een aparte plek voor de taalmuur, baken hem af, dat geeft rust en structuur.
Je kunt dit bijvoorbeeld doen met gekleurd isolatietape op de muur (makkelijk te verwijderen) of door een groot prikbord of whiteboard op te hangen.
Voor de volledigheid pleit ik hier meteen ook voor een rekenmuur, er zijn veel begrippen, regels of afkortingen binnen het rekenonderwijs die met een visuele ondersteuning op de rekenmuur voor veel leerlingen een fijne reminder of een extra hulp kunnen bieden.
Woordenschat is vaak een stukje taalonderwijs wat wel als aparte leerlijn wordt gezien , maar waar men soms niet zo goed raad mee weet. Natuurlijk staat er in de taalboeken woordenlijsten en worden er bij thematisch onderwijs trouw per thema woorden gekozen of gezocht, maar dan…hoe ga je daar mee verder?
Een goede woordenschatopbouw is immers cruciaal voor de algehele taalontwikkeling en het leesproces. Lees hier verder over tips voor TOS in de klas
Eén keer samen de betekenis opzoeken van een themawoordenlijst, daarna voor een dictee die woordenlijst uit het hoofd leren, dat is spellingonderwijs.
Hierdoor leer je geen betekenis maar alleen het woordbeeld en de spelling, je leert echter onvoldoende woordbetekenissen en woordgebruik.
Je kunt heel veel woorden kennen, dat betekent nog niet dat je ze ook kunt gebruiken.
Binnen woordenschatontwikkeling is naast een goede uitbreiding en een goede verdieping, ook een goede opslag in het brein erg belangrijk om woorden weer gemakkelijk terug te vinden in je geheugen, zodat je ze daarna ook adequaat kunt gebruiken. Woorden moeten verankerd worden in het geheugen en gekoppeld worden aan de eigen kennis van de wereld.
Binnen het “netwerk” van het brein moet je op de juiste “schijf” het juiste “document” kunnen opslaan en terugvinden!
Dit “document” in de hersenen moet dan daarnaast goed gevuld zijn met de juiste informatie.
Woorden moeten dus verankerd en vindbaar zijn in het geheugen. Dit noemt men ook wel een goed “semantisch netwerk”.
Om dit te bewerkstelligen zul je intentioneel woordenschat moeten aanbieden met vaste routines en dit vervolgens visualiseren op een taalmuur.
Wil je aan de slag met grafische modellen? Ga dan zeker kijken op de site van Rezulto en klik op het tabblad: Met woorden in de weer: praktijkmateriaal.
Hier vind je naast veel informatie over de viertakt van Verhallen en de kwaliteitskaarten voor alle onderdelen van de viertakt , ook een aantal handige downloads waarmee je zelf woordwebben, woordparachutes en woordkasten en woordtrappen op je digibord kunt maken. Hieronder zie je voorbeelden van de diverse downloads die op de site staan.
Vaak hoor ik van leerkrachten dat ze de modellen niet gebruiken, omdat het er gewoonweg niet van komt.
Mijn tip: kopieer een aantal lege modellen op minimaal A3 formaat en leg die bij de taalmuur klaar.
Je kunt dan op ieder geschikt moment, tijdens een uitleg, in een leesles of tijdens een instructie een grafisch model invullen, samen met de leerlingen. Op deze manier is het betekenisvol en werkt het als een visuele kapstok voor de auditieve informatie. Ondersteun dit met simpele tekeningen of afbeeldingen van het internet die je er later bijplakt. Geef eventueel bij oudere leerlingen op een later tijdstip de mogelijkheid om er bijpassende afbeeldingen bij te zoeken op het internet.
Wanneer je op de site van Rezulto bent, bij het tabblad praktijkmaterialen, vind je daar onder meer de volgende gratis downloads:
TIP: Wanneer je binnen deze powerpoint kiest voor pagina dupliceren, kun je de originele, lege pagina bewaren en de andere steeds vullen. Zo creëer je in diezelfde powerpoint een serie van dezelfde parachutes.
Je kunt er ook voor kiezen om de parachute op te slaan (en eventueel af te drukken) als PDF. Je kunt er dan niets meer aan veranderen maar het lege origineel in de powerpoint wordt dan ook bewaard.
Bedenk goed welk plekje je kiest in de klas. Het mag een grote plek zijn, maar het moet wel afgebakend zijn en overzichtelijk blijven. Een taalmuur die eindeloos is, kan erg rommelig worden. Trek bijvoorbeeld een omlijning met tape op je muur en werk altijd van links naar rechts.
Ververs met regelmaat de inhoud van de taalmuur. Eindeloos dingen laten hangen heeft geen effect. Wanneer je thematisch onderwijs geeft, houd dan deze periode aan en begin een nieuwe muur bij een nieuw thema.
Heb je een aantal vaste regels of nieuwe woordsoorten, laat die bijvoorbeeld op een hoek van de muur hangen zolang het nodig is.
Het is te allen tijde belangrijk om alle kinderen een houding aan te leren om zich bewust te worden van woorden die ze (nog) niet kennen. Met de taalmuur heb je hier een visuele reminder voor. Zodra je een lastig woord tegenkomt in je les, bij welk vak dan ook, kun je samen beslissen of dit woord op de taalmuur thuishoort. Doe dit hardop denkend voor. Blijf dit herhalen. Noteer niet alle moeilijke woorden, maak keuzes hierin.
Om kinderen strategieën aan te leren waarmee ze nieuwe woorden kunnen leren, is een taalmuur een goed middel. Laat ze alert worden en actief meedenken over de inhoud. “Hé, dat is een nieuw woord, kennen we dit woord al? Waar heeft het mee te maken? Kunnen we er iets over opzoeken? Welk deel van het woord kennen we al wel? Met welk woord heeft dit een verband?” (denk aan vergrotende trap, tegenstelling, categorie, enz)
Leer ze bewust aan wat ze kunnen doen met een taalmuur en hoe ze hem kunnen gebruiken of zelfs aanvullen.
Het is belangrijk om als leerkracht een voorbeeldrol te spelen door woordenschat een belangrijke en (visueel) zichtbare plek te geven in de dagelijkse lessen. Vakoverstijgend woordenschatonderwijs en aandacht voor taal, klanken en letters geef je liefst een aparte plek in de klas, dit kun je doen door het gebruik van een taalmuur.
Er moet aandacht zijn voor semantische netwerken, figuurlijke taal, homoniemen, synoniemen, schooltaalwoorden zoals vaktaal, verwijswoorden, lidwoorden, werkwoorden, begrippen, tegenstellingen, aanwijswoorden, enz.
Deze geef je het beste een (vaste) plek op een taalmuur. Dit kan al vanaf groep 2.
In de onderbouw moet er expliciet aandacht zijn voor woordenschat en de klanken van taal. Het fonemisch bewustzijn moet getraind worden, dit maak je zichtbaar op de taalmuur. Laat bijvoorbeeld zien dat woorden rijmen met kleur of laat zien dat woorden het tegenovergestelde betekenen met een woordkast. Taal is auditief en vervliegt daarom makkelijk, met een taalmuur geef je een visuele plek aan die taal.
De taalmuur is een visueel handvat voor zowel de leerkracht als de leerling.
Laat kinderen door de dag heen alert zijn op bepaalde beginklanken, eindklanken of rijmwoorden. Horen ze er weer een, dan wordt die toegevoegd op de taalmuur.
Door het visualiseren van de rijmwoorden, de beginklanken en de eindklanken, gaan kinderen letterlijk zien wat je bedoelt. Vooral bij taalzwakke kinderen is dat erg belangrijk!
8. Aandacht voor taalvorm en zinsbouw op de taalmuur
Gebruik functiewoorden zoals lidwoorden en voegwoorden of verwijswoorden en sta expliciet stil bij de functie van verwijswoorden of voegwoorden in een zin.
Voor verwijswoorden kun je met een pijl boven de zin werken. Je kunt lidwoorden en andere woordsoorten bijvoorbeeld een vaste kleur geven. Geef aandacht aan functiewoorden door er een vast gebaar aan te koppelen. Dit wordt bijvoorbeeld ook gedaan in de methode “zien is snappen”. Zij gebruiken bij het lidwoord “de” altijd een vast gebaar ( duim omhoog) , zodat je visueel duidelijk maakt dat dit een los woord is.
Een taalmuur moet iets van de leerlingen worden, zij moeten hem gaan gebruiken, ermee aan de slag te gaan en zo mede eigenaar te worden van hun taalleerproces. Laat ze daarom zelf afbeeldingen zoeken, mindmaps aanvullen of tekeningen maken voor de taalmuur. Zelfgemaakt betekent vaak meer en blijft beter hangen dan een prachtig strak voorbeeld van de leerkracht.
Er moet met vaste regelmaat geconsolideerd worden, de taalmuur is hiervoor een visueel handvat voor zowel de leerkracht als de leerling. Bespreek woorden en kom er gedurende een week een aantal keren op terug. Je kunt er een spelletjes bij bedenken zoals raadsels of omschrijvingen van het woord. Bedenkt hier een vaste routine voor.
Hang bijvoorbeeld een poster naast de taalmuur op met daarop een dobbelsteen en 6 spelvormen. Of zet een grabbelpot op je bureau met kaartjes met consolideerspelletjes erop en laat elke middag iemand een spelvorm grabbelen.
Speel bijvoorbeeld het spel: ‘raad het woord’ (neem een woord in gedachten en laat de leerlingen raden welk woord het is door vragen te stellen waarop je alleen met ja of nee mag antwoorden)
Kijk op mijn Pinterest pagina: Een taalmuur in de klas.
Heb jij er in jouw praktijk mee te maken? Wat is het? Hoe vaak komt het voor? Wat is het verschil met TOS of een taalachterstand? Wat kun je er aan doen? Voor al deze vragen deel ik hier tips en tops rondom dit onderwerp.
Want…1 op de 10 Nederlanders is laaggeletterd bij het verlaten van de middelbare school. In een land als Nederland is dit natuurlijk niet wenselijk, en eigenlijk ook best bijzonder.
Wat kunnen we er aan doen, hoe vroeg moet je beginnen met bijsturen?
TOS= Taalontwikkelingsstoornis
Taalachterstand= Een achterstand in de taalontwikkeling, opgelopen door interne problemen zoals ziekte, ontstekingen, hoorproblemen of externe problemen zoals gebrekkig of onderbroken onderwijs, andere moedertaal, enz.
Laaggeletterdheid: Moeite met lezen, schrijven, rekenen en digitale vaardigheden. Moeilijke woorden, officiële brieven, informatieve teksten, formulieren, bijsluiters, wegbewijzering of het gebruik van de computer leveren problemen. Het wordt ook wel functioneel analfabetisme genoemd. Wanneer de persoon vooral moeite heeft met digitale vaardigheden wordt die vaak een functioneel digibeet genoemd.Je kunt ook digibeet zijn, terwijl je wel kunt lezen en schrijven, maar niet kunt werken met een computer, iPad of telefoon.
Leerlingen met een TOS of een taalachterstand hebben 50 % kans om leesproblemen te krijgen en hierdoor laaggeletterd de middelbare school te verlaten.
Laaggeletterden hoeven echter niet perse een TOS of een taalachterstand te hebben.
De leerling zelf, de intelligentie, de leesattitude, de leesmotivatie, dit alles speelt mee in het wel of niet ontwikkelen van laaggeletterheid.
Een taalachterstand kan echter de kans op laaggeletterdheid aanzienlijk vergroten. Vooral in combinatie met de twee andere factoren hieronder.
Wanneer er door onvoorziene omstandigheden hiaten in het onderwijs plaatsvinden, wanneer het onderwijs niet genoeg of onderbroken aandacht heeft besteed aan leesonderwijs, aan leesbeleving, of niet goed inspeelt op de hulpvraag van de leerling kan dit leiden tot het ontstaan van laaggeletterdheid. Regelmatige bijscholing van leerkrachten, het vroeg signaleren van de hulpvraag en het promoten van lezen door bijvoorbeeld een schoolbibliotheek is hierbij cruciaal
Wanneer ouders ook laaggeletterd zijn is de kans op het ontwikkelen van laaggeletterdheid bij de kinderen groot. De school is dan de enige plek waar lezen en schrijven wordt aangeboden.
In de thuissituatie wordt er begrijpelijk weinig mee gedaan. Wanneer de ouders (of een van hen) zelf geen Nederlands spreken, of lezen, schrijven en taal bijvoorbeeld niet belangrijk vinden, wordt de rol van onderwijs en de juiste begeleiding misschien wel doorslaggevend. Ouderbetrokkenheid kan een cruciale rol spelen bij het voorkomen of verminderen van laaggeletterdheid.
Hoeveel procent laaggeletterdheid, of andere taalproblemen kom jij in jouw klas of praktijk tegen? Zo ongeveer? Gemiddeld per schooljaar? Doe een gok? Ik ben benieuwd!! Wat zijnde cijfers?
Uit onderzoek is gebleken:
TOS komt voor bij 5-7% van de bevolking
Taalachterstand : de cijfers zijn onduidelijk, omdat ze vaak met laaggeletterdheid worden verward in onderzoeken.
Laaggeletterdheid komt voor bij 1 op de 10 schoolverlaters van 16 jaar.
Laaggeletterdheid betekent problemen met lezen, schrijven , rekenen en digitale vaardigheden. Vanaf 16 jaar geeft het problemen met het verwerken van overheidsinformatie, het lezen van folders, het volgen van ondertiteling en het gebruiken van een computer of sociale media.
Als factoren van essentieel belang bij laaggeletterdheid worden genoemd: het kind zelf, het onderwijs en de thuissituatie. Het kan veroorzaakt worden door een leerprobleem of een negatieve leesattitude, maar de kwaliteit van het onderwijs speelt ook een rol. Vanuit de thuissituatie kan het meespelen of er iets gedaan wordt met lezen, wordt lezen gestimuleerd en is er interactie thuis rondom lezen en schrijven?
Met een aantal interventies vanaf jonge leeftijd is laageletterdheid wellicht te voorkomen.
Zorg op jonge leeftijd voor gezinsgerichte educatie zoals een kwalitatief goed VVE programma. Je bent hiermee betekenisvol gericht op taal, begrijpend luisteren en communicatie in zowel schrift als gebaar, wat een voorloper kan zijn voor goed leesonderwijs. Wek de interesse voor lezen en schrijven op een speelse manier die bij jouw doelgroep past.
Zorg voor allerlei leesbevorderingsprojecten gedurende het jaar. Werk vanuit allerlei soorten boeken, ga samen naar de bieb. Zorg dat kinderen plezier krijgen en houden in het lezen en bespreken van boeken en verhalen.
Plan met vaste regelmaat leesbevorderingsprojecten zoals voorleesdagen, bibliotheekuitjes, voorstellingen rondom boeken, enz.
Boekwinkels en bibliotheken hebben vaak jaarplanningen hiervoor, gebruik die in jouw eigen planning en organiseer bijvoorbeeld zelf ook eens zo iets.
Zorg zo vroeg mogelijk voor gezinsgerichte begeleiding en educatie met een goed doordacht (VVE) programma en activeer ouderbetrokkenheid via allerlei activiteiten.
Maak gebruik van de Voorlees-Express. Deze organisatie bestaat uit vrijwilligers die gratis aan huis komen voorlezen. Het hele gezin profiteert vaak mee. Ouders krijgen hierdoor een goed voorbeeld, goede tips en adviezen en zusjes of broertjes luisteren meteen mee. Zijn de kinderen al wat ouder, kijk dan eens op de site van de Dyslexie-express voor tips en handige leeshulpmiddelen.
Gebruik zoveel mogelijk verschillende soorten boeken in je aanbod. Laat kinderen kennismaken met strips, informatieboeken, verhalen, prentenboeken, kijk- en zoek-boeken, picto-leesboeken, enz. Zelfs kinderkookboeken en reclamefolders zijn inzetbaar om samen te bekijken en te bespreken. Deel alle aangeboden titels ook met het thuisfront, zodat ze wellicht in de bieb ook gehaald kunnen worden, en zo thuis herhaald kunnen worden besproken of bekeken.
Niet te vergeten: Bij sommige kinderen werken een bepaald soort boeken beter dan bij andere kinderen. Gebruik deze voorkeur om de leeshonger optimaal te ontwikkelen. Denk bijvoorbeeld aan informatieboeken, stripboeken, kijkboeken, informatieve tijdschriften of digitale boeken.
Gebruik verteltassen in de groep, geef een goed gevuld tas met een boek en bijbehorende materialen en spelletjes mee naar huis. Doe er ook een korte informatiefolder bij met wat tips voor de ouders over het gebruik ervan en een inventarislijst, zodat de tas compleet blijft.
Vul een tas (of meerdere) met een leesboek (wat centraal staat of past bij het thema van dat moment) en bijpassende materialen zoals een spelletje, een puzzel, een tijdschrift of een knuffel.
Maak ook een bijpassende hulpkaart voor thuis waarop je tips , ideeën en adviezen geeft over het gebruik van de tas en de inhoud. Lamineer deze kaart zodat hij netjes blijft en geef de tas mee voor een vastgestelde tijd. (1 week?)
Versier de tas met textielstift zodat hij opvalt en de kinderen nieuwsgierig maakt. Vraag hulp om de verteltassen te maken, betrek ouders hierbij, zorg voor betrokkenheid!
Deel de foto van de tassen met de naam van het kind erbij op het nieuwsbord van jouw klas, zodat iedereen weet waar welke tas is. Handig voor het overzicht en het stimuleert weer betrokkenheid bij de ouders.
Houd regelmatig gesprekjes met ouders over het gebruik en de inzet van de tassen, bijvoorbeeld op inloopmomenten.
Vier regelmatig boekenfeesten. Denk aan de jaarlijkse kinderboekenweek, de voorleesdagen in januari, maar organiseer ook zelf regelmatig een boekenfeest. Vier bijvoorbeeld steeds het einde van een thema met activiteiten geïnspireerd op alle boeken die je hierin hebt aangeboden.
Plan regelmatig een boekenfeest. Met een boekenfeest werk je direct aan leesplezier, leesbeleving en leeshonger. Vooral dat laatste is erg belangrijk om te ontwikkelen. Door een boekenfeest maak je kinderen nieuwsgierig naar meer en stimuleer je de thuissituatie om zich ook in het boek waar het feest over gaat of in meerdere boeken te verdiepen.
Bij laaggeletterde ouders is het belangrijk om met elkaar in contact te komen. Probeer een contactgroep te organiseren of vind er eentje in jouw buurt die aanspreekt bij ouders en/of leerlingen. Samen praten over dingen die wat lastiger zijn neemt een heleboel onnodige schaamte weg en kan leiden tot een verbetering en het helpen van elkaar met ieders talenten. Zorg voor koffieochtenden, inloopuurtjes, themavieringen, themavoorbereidingen. Laat ouders merken dat ze steun kunnen vinden bij elkaar. Geen schaamte maar samen werken en samen leren.
Zorg voor een rijke taalomgeving, door hoeken/plaatsen in je lokaal te creëren waar gedeeltes uit het boek of het hele verhaal nog eens herhaald kan worden. Een verteltafel om het verhaal na te spelen, een themahoek zoals in het boek om iets na te spelen, een ontdekhoek om het probleem uit het boek nog eens te verwerken, een knutselhoek om creatieve ideeën naar aanleiding van het verhaal een kans te geven.
Een rijk taalaanbod betekent ook dat je veel en vaak voorleest uit verschillende soorten boeken en daarbij gebruik maakt met mooi rijk taalgebruik. Gebruik tijdens de communicatie gebaren, intonatie en gezichtsuitdrukkingen om het verhaal te verlevendigen. Zowel in de klas als thuis is het belangrijk om materialen aan te bieden die uitnodigen tot een dialoog, een gesprekje of een ander taalmoment, graag in combinatie met boeken of verhalen. Dit kan bijvoorbeeld een emmer, een laars of een speelgoedauto zijn, maar het kan ook iets zijn wat je in de supermarkt koopt. Zoek het voorwerp of de vraag die gerezen is tijdens het gesprek, later thuis of in de klas samen op, in boeken, in tijdschriften via Google, op je telefoon, zoek naar bijbehorende afbeeldingen. (TIP: zorg voor een goed leeftijdsfilter.) Praat erover, lees erover en zorg dat het op een leuke manier verwerkt wordt door het talig brein van jouw leerling of kind. Zing er een liedje over, verzin er een rijmpje bij. zorg voor verwerking en consolidering want… Alles is taal!
Zorg voor zowel papieren boeken als digitale boeken. Maak ook eens gebruik van levende boeken. Dit zijn de geanimeerde digitale boeken van Bereslim. Uit diverse onderzoeken is gebleken dat ze de woordenschat, het fonemisch bewustzijn en het verhaalbegrip bevorderen. De boeken van Bereslim zijn gratis te bekijken in iedere bibliotheek door ouders en kinderen. Voor logopedisten, ambulant behandelaars en scholen zijn speciale abonnementen af te sluiten. Lees er alles over op de site van http://bereslim.nl
De laatste interventie is eigenlijk een open deur, zorg voor goed voorbeeldgedrag. Zien lezen, doet lezen. Plezier in boeken uitdragen zorgt voor een andere leesattitude. Voorlezen, interactief voorlezen en samen bespreken van verhalen werkt in alle gevallen prima voor de taalontwikkeling, en in de meeste gevallen voor leesplezier in de toekomst.
Geef daarom het goede voorbeeld. Zorg in jouw lokaal voor verschillende soorten boeken, ga zelf ook regelmatig in de leeshoek zitten en lees voor of bespreek de boeken. Zorg voor een duidelijke ordening van de boeken.
Maak bijvoorbeeld drie bakken op kleur gesorteerd met themaboeken, dierenboeken en seizoensboeken (of een andere ordening die jij op dat moment hanteert). Wanneer je vervolgens de boeken duidelijk codeert door middel van een kleursymbool (plakfiguur of sticker), kunnen de leerlingen dit prima zelf netjes ordenen.
Geef het goede voorbeeld en zorg voor overzicht.
Mijn tip: Beter goed geordend wat minder boeken en vaak rouleren, dan teveel boeken en een rommeltje.
Eigenlijk kun je alle hoeken in jouw groep inzetten voor preventie van laaggeletterdheid.
Vooral de taalhoek, de verteltafel, de themahoek en de knutselhoek lenen zich prima om een aantal interventies zoals hierboven benoemd, te implementeren.
De hoeken steeds aanpassen per thema of zelfs per prentenboek is leuk, maar je creëert meer betrokkenheid wanneer je dit samen met leerlingen doet. Het is belangrijk om de kinderen hierbij te betrekken.
Laat ze de verteltafel zelf inrichten per boek, geef materialen of ga samen op zoek en laat ze met hun eigen fantasie het verhaal uitbeelden. Betrek ouders erbij, maak samen met de klas een wensenlijst en hang die op waar ouders het kunnen zien. Verzamel zo samen de materialen voor de hoeken. Is er een mooi tafereel gebouwd, laat de kinderen dan foto’s nemen met een iPad of tablet, en hang die op of stop ze in een speciale map bij de verteltafel, ter inspiratie voor de anderen.
In een bouwhoek kun je platen uit het boek of passend bij een verhaal ophangen ter inspiratie. Hang bijvoorbeeld foto’s op die je via Google hebt gevonden en hebt gebruikt op je digibord bij een gesprek over bijvoorbeeld gebouwen of woningen.
Ook hier is een foto van eigen werk, opgeslagen in een bouwhoek-boek super motiverend voor de leerlingen.
Bij de taalhoek of de rekenhoek is ook altijd wel een link te leggen met het centrale prentenboek of het thema van jouw groep.
Worden er in het boek bijvoorbeeld kastanjes verzameld, zet dan een weegschaal weg met een bak kastanjes erbij.
Wordt er in een boek een hol gebouwd door een dier, ga dan buiten samen op zoek naar materiaal en leg dat in de zandtafel. Voeg hierbij wat dieren toe en laat de kinderen ontdekken hoe ze een stevig hol kunnen maken.
Zorg in alle hoeken voor duidelijke regels, doelen en rijke inhoud. Maak dit duidelijk voor zowel leerlingen als voor ouders.
Op een Amerikaanse site voor Preschool teachers zag ik een voorbeeld van Centre-signs.
Dit zijn borden voor iedere hoek waarop je de regels van de hoek visualiseert maar ook de leerdoelen.
Dit laatste is dan vooral ook bedoeld voor ouders die in de klas komen en hierdoor meer inzicht krijgen in de activiteiten, de doelen en de achtergronden hiervan.
Ik heb een paar voorbeelden gemaakt met een Nederlandse tekst.
Laat het weten in een reactie, ik ben benieuwd naar jouw ideeen .
Bron: Dit blog is gebaseerd op praktijkervaring en desktop research.
Voor aanvullende en onderbouwde informatie over laaggeletterdheid kun je de volgende bronnen raadplegen:
Stichting Lezen en Schrijven: biedt uitgebreide informatie en statistieken over laaggeletterdheid in Nederland.
Taal voor het Leven: een programma dat zich richt op het verbeteren van taalvaardigheden bij volwassenen.
Rapporten van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over taalvaardigheid en onderwijs.
Publicaties van het Kenniscentrum Taalontwikkeling over taalachterstanden en interventies.
Daarnaast is het boek Laaggeletterd Leren Lezen – Patricia Hazemeijer een waardevolle bron voor praktische tips en inzichten over het ondersteunen van laaggeletterde volwassenen.
Woordenschat en leerlijnen, het kan soms lastig zijn om er voldoende aandacht aan te besteden.
Door allerlei andere doelen in je jaarprogramma en methodes die de dag vullen, komt het woordenschatonderwijs soms in de knel.
Bij leerlingen met een TOS is dit echter een van de eerste dingen waar aandacht aan besteed moet worden.
De verbetering van de woordenschat, en daarmee de aandacht voor woordenschatonderwijs, is onlosmakelijk verbonden met een goed taalaanbod in de klas.
Maar hoe zitten die leerlijnen ook weer in elkaar? Wat zijn de pijlers voor goed woordenschatonderwijs? Wat kun je doen met woordenschatonderwijs in de klas?
Volg vanuit je eigen huiskamer op jouw eigen tempo en tijdstip mijn online trainingen en masterclasses.
Via deze mailinglijst ontvang je meteen een kortingscode waarmee je kortingen kunt krijgen tot 50%!
Ook ontvang je als eerste het laatste nieuws over de Digitaalspeciaal Online Academy.